Ik blog, dus ik besta!
header image1header image2header image3header image4

Eerder werk
Lenny (kort verhaal voor de bundel 'Fasten Your Seat Belt')

Ooh,’ zei ik toen mijn ouders vroegen of ik over een half jaar mee wilde naar Australië, om hun dertigjarig huwelijksfeest te vieren. ‘Ooh!’ Iets intelligenters dat kon ik niet uitbrengen, zo onder de indruk was ik van het voorstel. Helemaal naar het land van de tegenvoeters en eindelijk mijn familie ontmoeten die daar al decennia geleden naartoe verhuisd was. Het leek me een geweldig plan. Ik hoefde alleen maar een extra lange vakantie op te geven bij mijn baas en tegen die tijd een keer mijn koffers in te pakken. Appeltje-eitje.

Twee maanden later deed ik een zwangerschapstest. Ik had namelijk een vriendje opgeduikeld en was de pil een keer vergeten. Dat gebeurde wel vaker, maar nu was ik elke ochtend steeds goed misselijk, en dat kwam echt niet door het vriendje. Dat vriendje was namelijk leuk. Zo leuk dat ik al een verzoek bij mijn ouders had ingediend of hij mee mocht. Kostbare zaak, ik kon het me indenken, maar eigenlijk wilde ik helemaal niet naar de tegenvoeters zonder vriendje. Ik wilde heel graag met z’n tweeën. Dat feest ging niet door, zoveel werd me duidelijk na het aflezen van de zwangerschapstest. Als we al gingen, dan moest het met z’n drieën. Er zat een klein wezentje in mijn buik. Van schrik werd ik kotsmisselijk. Na het braken belde ik Vriendje.
‘Ooh,’ zei hij. Daarna bleef het stil. ‘Luister eens,’ ratelde ik zenuwachtig, ‘ik snap het  als je geen vader wilt worden. Maar ik ben dertig en ik houd het. Ik heb een huis en een baan en het lukt me best. Dus ik laat aan jou over wat je wilt. Misschien op afstand vaderen, of helemaal niet, of-‘
‘Meisje, hou je mond eens.’ Vriendje klonk serieus.
‘We gaan gewoon trouwen. En ik word vader. En we gaan het kind opvoeden samen. Want ik hou van jou. Begrijp je?’
Ik kon alleen maar knikken. Ik knikte alsof mijn leven ervanaf hing. Ik ging dus trouwen, en een kind krijgen. Oh, en naar Australië. Ik moest even mijn ouders bellen.
‘Wat?’ zei mijn moeder aan de telefoon. ‘Wat ben je? Wat ga je?’
Ik herhaalde alles nog een keer. ‘Trouwen met Vriendje, en ik ben zwanger.. Dus vriendje moet mee naar Australië, als mijn toekomstige man, natuurlijk.’
Ik hoorde mijn moeder’s hersenen ratelen aan de andere kant van de lijn. Daarna kwam er een diepe zucht. ‘We gaan nog een ticket boeken,’ zei ze. Het bleef even stil, en toen klonk er een luid ‘hoera!’ door de hoorn. ‘Ik word oma!’ Ze zuchtte weer. ‘Ja kind, het moet even doordringen allemaal, dat begrijp je. Het zijn altijd van die reuzenstappen die jij zet, en geen mens die erop is voorbereid.’
Drie maanden later zette ik niet meer van die reuzenstappen. Er groeide namelijk een reuzenbuik aan mij vast die behoorlijk zwaar was. Ik moest langzaam en bedachtzaam lopen en was beduidend trager dan ik van mezelf gewend was. Vriendje moest me helpen mijn koffer in te pakken en ik zag enorm op tegen de reis naar Australië. Ik zag me al tussen de kangoeroes door schuiven met mijn eigen buidel met inhoud. Risicovolle ondernemingen zouden niet aan mij besteed zijn, en aan de kant cocktails drinken al helemaal niet. Ongeboren baby’s mogen niet paragliden en geen alcohol. Ik aan een kopje thee terwijl mijn familie aan een parachute boven Ayers Rock hing. Niet mijn idee van een Australië-trip, maar er zou niets anders op zitten.
Een tripje Schiphol aan het begin van de reis bleek boven verwachting leuk. Ik was vergeten hoe fijn het was om allerlei nikserige dingen te kopen voor onderweg. Ik bedoel, ik had echt geen twee flesjes parfum nodig en die familieverpakking luxe chocola was zeer onverstandig, maar what the hell. Die buik zat er toch al en aangezien baby geen drank mocht, zou ik hem extra verwennen met een paar stukjes chocola. Een zwanger meisje moet toch ergens haar plezier vandaan halen. Dat deze gedachtengang me maanden later nog huilend op de weegschaal zou doen staan besefte ik gelukkig niet.
Na een paar uur mochten we eindelijk het vliegtuig in dat ons naar Singapore zou brengen. Verheugd stapten we aan boord. De reis zou beginnen. Ik ging zitten en wilde me eens lekker gaan nestelen in de stoel. Nestelen? Ik zat meteen al klem. Een vrouw van 1.90m en nog zwanger ook vervoeren naar de andere kant van de wereld, dat zou niet gaan lukken in deze stoeltjes. Met mijn naiëve hoofd had ik gedacht dat je voor zo’n lange reis wel ruime zitplaatsen zou hebben. Niet dus. Dit waren dezelfde krappe stoelen als waarin je naar Kreta of de Costa del Sol werd vervoerd. Wat een afknapper.
Tot overmaat van ramp gooide de meneer voor me zonder even achterom te kijken zijn stoel naar achteren. Mijn knieën kraakten en ik slaakte een kreet. Verstoord keek de knieënkraker achterom. ‘Kunt u een stukje naar voren,’ piepte ik veel te beleefd. ‘Ik zit klem.’ De man snoof en schudde zijn hoofd. Daar kon ik het mee doen.
Ik vreesde voor een vroeggeboorte. Ik vreesde voor een moord. Ik vreesde de hele godvergeten reis. En achter me zag ik mijn broer, die makkelijk aan de 2.05 meter komt, zich verbijten. Dit zou afzien worden.
We doorstonden de instructies van de stewardess. We namen een sapje om het leed te vergeten. Ik besloot vaak te gaan wandelen door het gangpad om in elk geval zwangerschapstrombose te voorkomen. En een geweldsdelict. Want mijn handen hadden de onbedwingbare behoefte zich om de nek van de man voor me te klemmen, die bijna met zijn vettige kale hoofd in mijn schoot lag. De schurfterik. Vriendje zat naaste me, zijn vuisten klaar om te beuken. Ook dat nog- Vriendje hield veel van mij en was in een ver verleden Ajax-hooligan geweest. Dat zijn meisje en ongeboren kind klem zaten en een vettig hoofd in de schoot moesten verdragen, was bijna meer dan hij aankon. Ik zag de roodwitte woede in zijn ogen schemeren. Inmiddels vlogen we hoog in de lucht en waren we op weg naar Singapore. Gelukkig zat ik niet bij het raampje. Door alle stress was ik helemaal vergeten dat ik hoogtevrees had en niet zo dol was op vliegreizen. Deze ervaring zou me er niet van vrijmaken, dacht ik al te weten. Maar toen had ik nog niet op Lenny gerekend. Lenny de Reddende Steward-Engel.
Na een kwartier moest ik plassen. Zwangere vrouwen moeten heel vaak plassen. Misschien ging ik wel extra vaak plassen, besloot ik toen ik het boze gezicht zag van Vettig Kaalhoofd, die zijn stoel naar voren moest doen om mij op te laten staan. Grijnzend schoof ik het gangpad op en begon mijn vijfmaandszwangerloopje naar het toilet. Ik waggelde richting de ruimte waar de stewardessen altijd keurig op een klapstoeltje zitten. Althans, dat dacht ik. Toen ik het blauwe gordijn opzij schoof trof ik een giechelende stewardess op de grond die met een rood hoofd het gekietel van een mini-steward lag te ondergaan. De mini-steward keek me grijnzend aan met zijn grote bruine ogen en liet toen het bovenlijf van de stewardess vallen. Hij stond op en staarde me met open mond aan. Daar was hij zich blijkbaar van bewust, want hij sloeg een hand voor die mond en zei tergend langzaam: ‘Oh. My. God.’ Zijn ogen gingen van boven naar beneden en weer terug. ‘Oh. My. Freaking. God.’ Ik was het een beetje zat aan het worden en wilde hem geïrriteerd opzij schuiven om te gaan plassen, maar hij pakte mijn hand en zei: ‘You must be the tallest pregnant woman I have ever seen!’ De stewardess, die even daarvoor bijna de kieteldood was gestorven, was inmiddels opgestaan en knikte hevig bij deze woorden.
‘OK,’ zei ik, niet wetende of ze me nu een gigantische freak vonden of juist niet, ‘but I have to pee now.’ Ze knikten en lieten me gaan. Gezeten op de bril in het veel te krappe toiletje, hoorde ik ze fluisteren, maar net niet zo dat ik het kon verstaan.
Met het openen van de toiletdeur schoof ik ze bijna opzij, zo dichtbij stonden ze. De mini-steward stak zijn hand naar me uit en ze zijn naam: ‘I am Lenny.’ ‘Hello Lenny,’ zuchtte ik en wilde alweer terug waggelen naar mijn stoel. Lenny liet me er echter niet door, alhoewel ik zijn mierenlijf makkelijk met mijn twee-in-één lijf had kunnen verpletteren. Aan de andere kant, hij kon wel goed kietelen. Ik bleef maar even staan.
‘We want to offer you a luxurious seat in the front,’ zei Lenny vastbesloten. Zijn collega knikte met elk woord mee. ‘It’s not possible that a tall pregnant woman like yourself will survive this trip in a normal seat.’ Ter plekke  besloot ik de freak te zijn die zij in mij zagen. ‘I don’t think so either,’ zei ik klagelijk, ‘but I never thought of arranging a special s-‘  ‘Hush now,’ zei Lenny met zijn vinger op zijn lippen. ‘I will take care of it all.’
Zachtjes duwde hij mij het gangpad op en liep achter me aan. We bleven staan voor Vettig Kaalhoofd, die met een chagrijnig gezicht zat te wachten tot ik terug was en hij weer in de horizontale stand kon. ‘Is this where you are seated?’ wees Lenny naar de lege stoel. Ik knikte. Mijn familie en Vriendje staarden me verbaasd aan.
Lenny knipte met zijn vingers. De Kietelstewardess deed het bagagevak open en vroeg wat mijn tas was. Ik wees het aan en ze pakte de tas voor me. Deemoedig bleef ze vervolgens achter Lenny staan.
'OK, now, who is the father?’ Ik keek de steward verward aan. Wat had hij daar nu mee te maken? Maar hij wees mijn broer aan, die als een Marsipulami in de stoel zat, zijn knieën ongeveer op oorhoogte. ‘That must be him! Sir, you come to the front with your wife. We will make sure you’ll have a good flight together.’
We hadden maar één blik van verstandhouding nodig, Vriendje en ik. Vriendje was tien centimeter kleiner dan ik en zat, op het uitzicht op Vettig Kaalhoofd na, wel goed. En dat in Lenny’s wereld man en vrouw even groot waren, was misschien wat kortzichtig, maar kwam eigenlijk wel goed uit. Het was dus niet meer dan  logisch dat degene die na mij het meest klem zat, in aanmerking kwam voor het spelen van mijn echtgenoot. Mijn broer wrikte zich uit zijn stoel en kwam met een dankbare blik op Vriendje naar het gangpad. Mijn ouders keken ons verbijsterd aan. ‘Shhh,’ deed mijn broer even snel naar ze. We zouden het later wel uitleggen.
‘Ooh, zei ik toen ik me in een heerlijke zachte stoel liet zakken met zeeën van beenruimte. Lenny keek goedkeurend toe. ‘This is wonderful,’ zei ik uit de grond van mijn hart. ‘And my brot- my husband feels the same, I’m sure.’ Ik keek opzij naar mijn broer, die met gestrekte benen een filmpje aan het uitzoeken was. Hij keek op. ‘Yeah man, thanks a lot!’
Lenny klopte me goedkeurend op de schouders. ‘If you need anything, just holler. But please try to deliver the baby only when we’re safe on the ground,’ grinnikte hij. Ik grinnikte terug. Aan het rustige gedobber in mijn buik te voelen, zou baby nog wel even blijven zitten. Zeker nu hij weer de ruimte had. Ik zuchtte voldaan. Wat 1.90m lang en zwanger zijn al niet voor je kan doen.
Lenny bleef mij en mijn ‘husband’ de hele reis lang verzorgen. Bij aankomst op Singapore kreeg hij bijna tranen in zijn ogen toen we het vliegtuig verlieten. Kon ik Lenny maar meenemen naar de kraamkamer over een paar maanden, dacht ik met spijt. Hij zou een perfecte verpleegkundige zijn om me toe te juichen aan het bed.
Het bestaan van Lenny deed me nog een keer ‘ooh’ roepen. Zijn schijnbare korte armpjes reikten verder dan ik dacht. Op de volgende vlucht kregen we namelijk weer stoelen met veel beenruimte. Op onze verbaasde blikken werd kort gegiecheld door de stewardessen en de naam ‘Lenny’ genoemd. Hij had het blijkbaar voor ons geregeld. We stonden perplex. ‘I want his adress,’ riep ik, emotioneel door de hormonen, de lange vlucht en zoveel steward-achtige goedheid. De dames zeiden dat ze het niet wisten, maar wel dat hij had gedreigd ze dood te kietelen op een volgende gezamenlijke vlucht als wij geen goede stoelen kregen. En daar konden we het mee doen.
Vriendje en ik overleefden de noodgedwongen gescheiden reis, mijn broer vond het prima een poosje te doen alsof hij met me getrouwd was, en Australië bleek ook zwanger goed te bereizen. Op de terugreis hadden we geen Lenny en moesten we daarom vaak aan hem denken. Hij werd ons bij elke overstap dierbaarder.
We hebben even getwijfeld, toen onze zoon geboren werd.
Maar het was ons een stap te ver om hem te vernoemen naar een engelachtige kietelsteward. Bovendien hadden wij een flauw vermoeden dat de naam Lenny ons kind niet populair zou maken op de kleuterschool.
Wel doen we sindsdien bij elke vlucht de Lenny-test: is de steward of stewardess Lenny-waardig? Valt er bovenmenselijke vriendelijkheid te bespeuren bij de ons in de hemel dienende dames en heren? Vol verwachting stappen wij elke keer weer het vliegtuig in.
En stiekem hopen we natuurlijk hem ooit nog eens terug te zien.

 

 

 

 

YouTubefilmpje van TerraNext met Esther als voiceover

 

Workshop column schrijven

Schrijf je graag, of wil je gaan schrijven? Heb je een mening, maar krijg je die niet compact en helder op papier? Heb je de ambitie om een weblog te beginnen, of om columns te schrijven?

Ik nodig je bij deze uit om een workshop column schrijven bij mij te volgen. Als columnist van Dagblad van het Noorden en weblogger sinds 2005 kan ik je handreikingen doen om je stijl te verfijnen, je mening op scherp te stellen en de beperkte ruimte die een column biedt ten volle te benutten. Naast stijl, vorm en spelling beraden we ons vooral op de inhoud: gebruik je humor? Is de column scherp? Zitten er een kop, midden en een staart aan?

In de workshop ligt de nadruk op oefenen. Aan het eind van de middag of avond ga je met een aantal zelf geproduceerde teksten naar huis. Ook krijg je een naslagwerkje mee met daarin alle tips die voorbij zijn gekomen.

Wanneer je je bij mij opgeeft krijg je huiswerk: je bedenkt vantevoren een onderwerp waar je graag over zou willen schrijven. Daar gaan we tijdens de workshop mee aan de slag.
De workshops zijn medio november begonnen en vinden plaats in Ruinen (Drenthe), maar kunnen ook op locatie gegeven worden. Er zijn zowel avondworkshops (van 19.00-22.00) als weekendworkshops (van 13.00-16.00) te boeken.

Op de locatie waar de workshops gegeven worden kun je indien gewenst overnachten.
Voor meer informatie, of als je je op wilt geven, kun je mailen naar esther.donkers[at]gmail.com, of bellen naar 06 53905744.