|
Fictie
|
|
Geschreven door Esther Donkers
zondag, 26 juni 2011 15:04
|
|
Daar liggen ze, alle enveloppen, groot en klein. Anton begint sneller te lopen als hij de bakken in het oog krijgt waar zijn post in ligt. 'Goedemorgen Anton,' zegt een collega in het voorbijgaan. Anton bromt iets en steekt zijn hand op. De post, die is belangrijk.
Hij laat zijn handen langs het papier gaan, snuift. Post ruikt en Anton vindt het een fijne geur. Een droge, geruststellende geur is het, die hem zijn natgeregende helgele uniform even doet vergeten. Snel haalt hij de fietstassen van zijn schouder en begint ze te vullen. Post, zijn post, allemaal voor hem.
Hij schrikt van de hand op zijn schouder en draait zich om. 'Dag Anton,' zegt zijn chef en kijkt hem schattend aan. 'Wil je straks na je ronde even bij me langskomen?' Anton knikt stuurs en gaat verder met het vullen van de tassen. Hij heeft haast.
Het regent nog harder dan op de heenreis. Anton trapt stevig door, het gewicht van de fietstassen geeft hem vleugels. Doornat opent hij zijn voordeur en sleept de tassen door de gang. Zonder zijn jas uit te trekken stort hij de inhoud ervan op het geblokte zeil in de woonkamer. Zijn hart juicht. Kijk dan toch, al die enveloppen. Al die handschriften, zo verschillend en toch houdt hij van ze allemaal.
De druppels die gestaag op de grond vallen storen hem in zijn gedachten. Traag trekt hij zijn jas uit, zijn broek, zijn sokken. Zelfs zijn T-shirt en onderbroek belanden op de grond. Met een verfrommelde theedoek droogt hij zijn haar. Rillend zet hij de thermostaat hoger. Het is koud voor de tijd van het jaar.
'Anton? Ben je thuis?' klinkt de ijle stem van zijn vader, die boven in bed ligt. 'Ja,' roept Anton tegen de trap. 'Wil je thee, papa?' 'Nee jongen, straks misschien,' zegt zijn vader. Een hoestbui volgt. Anton haalt zijn schouders op en veegt met zijn blote voet wat post opzij. Dan gaat hij zitten tussen de droge, warm aanvoelende enveloppen en doet zijn ogen dicht. Even voelen, met de vingers erdoorheen. Welke zal hij nemen?
Een brief aan mevrouw van Zanten. Ah, die kent hij wel. Zij heeft een kleine, rood geschilderde brievenbus en zwaait wel eens naar hem. Eens in de maand krijgt ze een brief van haar kleindochter, die in Amerika studeert. 'Lieve oma,' schrijft ze dit keer, 'hoe gaat het met u? Hier is alles goed, op een kleine verkoudheid na..' Anton leest de brief en droomt weg. Daarna pakt hij een kaart. Een hele leuke verjaardagskaart, met geld erbij. Een tientje. Anton legt het opzij.
'Anton?' Zijn vader roept hem. Anton kijkt op uit de verdrietige rouwkaart die hij aan het bestuderen was. 'Maak je thee voor me, jongen?' Hij knikt tegen de trap en staat op. In het keukenraam valt hem op dat hij bloot is. Dat zal zijn vader niet leuk vinden. Snel trekt hij de vochtige kleren aan die nog op de grond liggen en stommelt naar boven met een beker thee en een schaal koekjes.
Dankbaar pakt zijn vader de thee aan van onder de berg dekens die hem omhullen. Het valt Anton op dat zijn vader een gele kleur heeft. Zijn baard wordt ook steeds langer en het stinkt een beetje in de donkere slaapkamer. 'Wil je nog iets anders, papa?' vraagt hij. 'Nee Anton, zo is het goed,' zegt zijn vader en slurpt van de thee. 'Laat me maar weer met rust.'
Opgelucht trekt Anton de deur achter zich dicht. Hij denkt even na en doet dan ook de tussendeur dicht. Hij weet dat hij zijn vader nu bijna niet zal horen, maar het doet hem maar heel even verdriet. De enveloppen troosten hem. Hij heeft er nog zoveel te gaan.
Als hij vijftig euro uit de enveloppen heeft verzameld en hardop heeft gelachen om twee vrolijke verjaardagskaarten gaat de telefoon. Het geluid is vreselijk vervelend. Snel neemt Anton op om het te stoppen. Een vriendelijke stem begint tegen hem te praten. Hij moet nog langskomen, zegt de stem, dat had hij afgesproken. Anton knikt en zegt dat hij komt.
Spijtig kijkt hij naar de post die hij moet achterlaten.
De chef staat hem op te wachten als hij bij het sorteercentrum aankomt. 'Kom maar even mee,' zegt hij. De hand op zijn schouder voelt zwaar en onprettig aan en Anton onderdrukt de neiging om hem af te schudden. In het kantoor krijgt hij een plastic bekertje met koffie en een plastic roerstaafje. Anton roert en kijkt naar de grond.
'Anton,' zegt zijn chef op ernstige toon, 'we krijgen heel veel klachten uit jouw wijk. Mensen krijgen al weken geen post meer. Heb je een verklaring?' Anton schudt zijn hoofd en roert. 'Dus jij beweert dat jij gewoon de post bezorgt, Anton?' De stem van de chef klinkt hard. Anton knikt weer en kijkt op, zijn gezicht een vraagteken. De chef zucht. 'Ik vrees dat ik je op staande voet moet ontslaan, dit gaat zo niet,' zegt hij. 'Ik weet niet wat je met de post hebt gedaan, maar bezorgd is het niet. Het ga je goed, Anton.' De deur zwaait open en Anton loopt de troosteloze ruimtes door tot hij buiten is. 'Dag Anton,' zwaait een collega. Tegen zijn gewoonte in zwaait hij terug.
Thuis kleedt hij zich uit, traag, maakt met zijn voet ruimte tussen de enveloppen en gaat zitten. Heel vaag hoort hij zijn naam roepen. Als hij met zijn hoofd schudt is het geluid weer weg. Hij ruikt aan een grote gele envelop en scheurt hem open. Straks zal hij thee maken. Eerst dit lezen.
|
|
Fictie
|
|
Geschreven door Administrator
woensdag, 27 mei 2009 10:13
|
'Mam, kunnen we nu eens to the point komen? We zitten hier al een uur over koetjes en kalfjes te babbelen, maar daar heb ik geen vrij voor genomen.' Ongeduldig kijkt Paulien op de grote koekoeksklok in haar moeders woonkamer. Ze zit hier al vanaf de vroege ochtend omdat haar moeder haar verzocht had te komen. En als je stervende moeder je verzoekt te komen, dan kom je. Zeker als ze al weken met een citroengeel gezichtje in een hoog-laagbed in de woonkamer ligt te verschrompelen. Maar tot nu toe hebben ze het over de kinderen, de buurvrouw en de aanbiedingen in de supermarkt gehad, dus dat schiet niet op. 'Ja schat, je hebt gelijk,' verzucht Pauliens's moeder en gaat met een pijnlijk gezicht verliggen. Ze is zo dun geworden dat zelfs het dikste anti-doorligmatras als een spijkerbed aanvoelt. 'Ik wil eigenlijk nou eens doorspreken hoe we dat doen met eh.. met de uitvaart enzo.' Paulien slaakt een zucht. Eindelijk. Eindelijk geeft haar moeder toe dat ze gaat sterven, dat er een uitvaart komt, en dat er besproken moet worden hoe ze het wil hebben. Sinds de sombere diagnose van de dokter heeft ze in totale ontkenning geleefd. Ze ging op reis, kocht een nieuwe garderobe, ging uit dansen en sprak helemaal nergens over. Zelfs vermagerd en citroengeel, met dag en nacht thuiszorg, wist ze het onderwerp sterven te vermijden. Maar nu is de dood dan toch tot de zonnige woonkamer van haar moeder doorgedrongen. 'Wat wil je, mama? Zeg het en ik regel het,' zegt Paulien en trekt haar stoel wat dichter naar het bed. 'Ik wil.. ja verdomme Paulien, weet je wat ik niet wil?' Geschrokken kijkt Paulien haar vloekende moeder aan. Haar moeder heeft nog nooit in haar leven gevloekt. 'Ik wil dus NIET in een kist he, Paulien. Ik ben toch goddomme geen huisdier dat je in een doosje stopt. En ik wil ook niet in zo'n stomme aula opgebaard liggen, waar iedereen dan in die kist gaat zitten koekeloeren. Om later te zeggen dat 'ik er zo mooi bij lag.' Ik weeg veertig kilo en ik ben geel, dus er valt niks te zien!' Paulien's moeder wordt er zowaar een beetje rood van. Ze pakt de papegaai en trekt zich omhoog, alsof ze er eens goed voor gaat zitten. 'Wat ik ook niet wil, schat, is koffie en cake daarna. En dan dat stomme geleuter en gelach terwijl ik in de oven lig te smeulen. Van nijd waarschijnlijk, omdat ik er niet bij kan zijn. Zonder mij geen feestje!' Hijgend zakt ze achterover in de kussens. Paulien pakt bezorgd haar hand. 'Maar mama, je zegt het maar hoor. Als jij dat allemaal niet wilt dan doen we dat toch niet. Tenslotte is het jouw feestje,' probeert ze er wat humor in te brengen. Vroeger zou haar moeder daar smakelijk om gelachen hebben, maar nu verandert haar mond in een dunne streep. Galgenhumor is blijkbaar alleen leuk als het over andermans galg gaat. 'Je gaat toch ook niet snikkend voor de katheder staan en allemaal slijmerige dingen over me zeggen, he Paulien?' snijdt de stem van de zieke door de kamer. 'We hebben het best heel aardig gedaan als moeder en dochter, maar er is ook genoeg gebeurd dat het predikaat 'ideaal' niet verdient. Ik zou het leuk vinden als je het daar ook over zou hebben. Dat jij je hele puberteit lang een moeder had die aan de drank verslaafd was mag je best zeggen. Dat er soms elke avond een andere kerel over de gang naar de wc liep te trippelen mag je ook best zeggen. Ik was helemaal geen leuke moeder.' 'Maar mama!' Paulien is niet snel geschrokken, maar nu wel. 'Dat mag je niet zeggen. Je hebt het goed gedaan in je eentje. En natuurlijk was je weleens een rotwijf, maar dan wel mijn rotwijf. Daar moet iedereen vanaf blijven.' Ze streelt haar moeder's magere hand. 'Dat is allemaal achter de rug, mama. We hebben ons goed gerevancheerd samen. Daar moet je aan denken, niet aan de slechte dingen.' Paulien's moeder kijkt met een broeierige blik naar iets achter Paulien. 'Waar kijk je naar, mam?' 'Daar komt dat vreselijke mens van de thuiszorg. Die koert tegen me alsof ik een bejaarde demente bes ben. Het is toch godgeklaagd. Mijn leven lang ben ik een lekker wijf, en nu lig ik in mijn luier te plassen en heb ik de hele dag van die koerende vrouwen om me heen. Er zit niet één smakelijke kerel bij die thuiszorg, Paulien. Hoe houd ik het uit!' Paulien lacht. Dit is haar moeder ten voeten uit. 'Zal ik voor je uitvaart dan zes gespierde dragers regelen, mama? Of een leuke striptease-act?' Ze lachen samen terwijl de deur van de woonkamer open gaat. 'Goedemorgen mevrouw Berg, daar ben ik weer!' zingt de verpleegkundige terwijl ze naar de keuken loopt. 'Kopje thee?' 'Ja ja,' wuift Paulien's moeder en fluistert dan: 'Liever een whiskey. Maar dat heb ik al geprobeerd en dat kots ik meteen weer uit. Jammer hoor.' 'Mam,' zegt Paulien zachtjes, 'even serieus nu. Hoe wil je je uitvaart hebben? Ik weet nu dus wat je niet wilt, maar daar heb ik niet zoveel aan. Je hebt er vast over nagedacht.' 'Goed,' zegt haar moeder en zakt terug in de kussens. 'Het is zover, ik ga het zeggen. Ik ga dood. Dit is de eerste keer dat ik het hardop zeg, meisje.' Haar ogen glanzen van de ingehouden tranen. Paulien knijpt in haar moeder's hand. 'Ik wil dus in een mooie gevlochten mand. Ik heb 'm al uitgezocht zonder dat je dat wist. Verder wil ik dat die mand gesloten blijft. Er valt niets te zien. Als mensen me willen zien kan dat nu, terwijl ik nog leef. Verder wil ik veel drank tijdens en na de plechtigheid. Als het even kan moet iedereen als een balletje dat crematorium uit. Zorg maar dat er veel taxi's klaarstaan na afloop zodat niemand de bob hoeft te spelen.' Ze zucht diep. 'Je vader mag ook komen, als hij dat wil. Met z'n nieuwste vriendin. Kan ie nog even de tragische weduwnaar uithangen, vindt zo'n jong meisje vast heel interessant. Oh en geen rouwkaaren vooraf, Paulien, maar gewone leuke kaarten met bloemen erop.' Paulien heeft inmiddels een schrijfblokje uit haar tas gepakt en noteert alles wat haar moeder zegt. 'Is dat het mama? Of zijn er nog andere dingen?' 'Ja, nog één ding, maar misschien is het teveel gevraagd..' Even is het stil. 'Ik wil niet in een la in zo'n vrieskist ergens, schat. Ik wil thuis in die mand liggen met zo'n koelelement eronder. Maar dan.. eh.. moet jij hier slapen terwijl ik hier dood lig te zijn. Want ik kan niet eh, onbeheerd hier dood liggen, denk ik. Wil je dat wel? En vinden de kinderen dat niet eng?' Paulien schraapt haar keel. Het wordt haar ineens te beeldend. 'Dat komt wel goed, ouwe angsthaas met je claustrofobie. Ik zal hier wel over die mand waken en de kinderen stal ik bij Hans. Was dat het zo?' Ze klapt haar schrijfblokje dicht. 'Zijn we nu even klaar met dat morbide gelul van je?' Ze lachen samen terwijl de verpleegkundige de thee brengt. 'Alstublieft dames, met een heeeeeerlijk koekje erbij! En dan ga ik nu even de was vouwen.' 'Jij liever dan ik schat,' zegt haar moeder tegen de rug van de zuster, 'krijg je al die bepoepte nachthemden van me wel schoon?' 'Nou mama,' zegt Paulien droog, 'je bent weer helemaal je oude zelf hoor ik. Drink die thee nou maar.' In stilte nippen ze van het warme vocht terwijl de woordenstroom van even daarvoor langzaam neerdaalt in Paulien's hoofd.
|
|
|
Fictie
|
|
Geschreven door Administrator
woensdag, 16 september 2009 10:17
|
Dacht ik eerst meer rust te krijgen nadat ik uit een gezin met drie kinderen ben weggehaald, nu moet ik daar op terugkomen. Het ene kind dat in dit huis woont heeft energie voor vier. Soms verstop ik me onder een stoel als hij weer aan komt draven met dat hengeltje met een muis eraan, maar meestal vind ik het wel leuk. Ik heb ook energie voor vier, weet je. En ik weet wel dat die muis niet echt is, maar toch, maar toch.. Iets in mij wil voortdurend dingen vangen. Of het nou een pakje rosbief is in een tas of een vlinder in de tuin, ik moet eropaf.
De andere kat die hier woont kan daar nog wel wat van leren. Het is een beetje een gestoord type, maar wel aardig. Als ze me ziet gaat ze me likken, of ze geeft me een tik, daarom ben ik altijd op mijn hoede als ze aan komt lopen.
Ze heeft nooit geleerd om een kat te zijn, ze doet maar wat. Rosbief en vlinders interesseren haar niet, geluid vindt ze vervelend. Samen op een stoel liggen, daar kan ik haar wel weer voor porren. Lekker warm. Verder vind ik haar soms een beetje eng. Vooral als ze in de grote hal maar een beetje voor zich uit staat te mauwen. Ik vraag me altijd af tegen wie ze het dan heeft, maar dat wil ze niet zeggen. Misschien spookt het hier wel.
Nouja, ik heb andere dingen om me druk over te maken. De katten die in de huizen hiernaast wonen zijn niet gecharmeerd van the new kid on the block, dus ik doe veel aan lichaamsbeweging. Rennen, springen en uit de klauwen van die volgevreten monsters blijven. Dat lukt heel aardig met dat soepele lijf van me, al zeg ik het zelf.
Om uit te rusten kijk ik graag TV met die jongen die hier woont, toevallig houden we allebei van Tom & Jerry. En een verkwikkende douche vind ik ook niet verkeerd.
Als de mensen gaan douchen, sta ik er graag bij. Precies op het randje zodat er wat spetters mijn kant op komen. Meer heb ik niet nodig. Ik ben van mezelf natuurlijk al een oneindig leuke spetter.
|
|
Fictie
|
|
Geschreven door Administrator
dinsdag, 04 november 2008 12:51
|
Haar elleboog wekte hem. 'Je moet opstaan.' Heel even waande hij zich gelukkig, zoals altijd in de eerste vijf seconden dat hij wakker was. 'Ik kom.' Hij rekte zich uit, staarde even nietsziend naar het blauw geschilderde bouwbehang aan de muur. Hij wist wat er komen ging en hij had er geen zin in, zoals elke ochtend. De tredmolen van douchen, aankleden, eten. Zijn kinderen die met onuitgeslapen hoofden boven hun Brinta zaten en hem chagrijnig aankeken. Zijn vrouw die hem op afstand hield door over het weer te praten, of over het nieuws. Als hij met zijn tas naar de voordeur liep, meende hij altijd iets opgeluchts in hun 'tot vanavond' te horen. De file was het lichtpunt van de dag. Het gaf hem een goed gevoel om ergens naar op weg te zijn, samen met heel veel andere mensen. Als hij in een eindeloze rij auto's stond te wachten met de radio aan, proefde hij een saamhorigheid die hij niet kende. Met z'n allen in hetzelfde schuitje, dag in dag uit. We zijn samen, jongens, niemand is alleen. De afrit naar zijn werkplek nemen voelde als een afscheid en daar bekroop hem ook altijd de somberte die de hele dag zou aanhouden, tot het gelukzalig slapen. Zijn collega, een gewezen Groninger die aan zijn identiteit probeerde vast te houden door zijn woordgebruik, begroette hem al twintig jaar op dezelfde manier: 'Moi, jongen.' Hij zei altijd moi terug vanwege het lekker bekken ervan. 'Goedemorgen' op 'moi' sloeg als een tang op een varken. Hij hield ervan mooie combinaties te maken- een mooi pak met een goede stropdas, de juiste wijn bij het eten, en de juiste tegengroet op 'moi.' Het plaatsnemen achter de computer voelde alsof er een keten om zijn enkel ging. Toch kon hij niet buiten zijn werkzaamheden, de vieze koffie, 'moi, jongen' en de bloedmooie nieuwe stagiares. Elk jaar kwamen er nieuwe bloedmooie stagiaires, alsof ze werden uitgezocht op geilheid. Ze zagen hem nooit en daardoor kon hij des te ongeremder kijken. Naar hoe ze zaten te typen, of hoe ze een kopje naar hun mond brachten, of hoe ze voorover bogen om een nietmachine te pakken. Hij laafde zich aan de soepele bewegingen en de gulle lachsalvo's van de stagiaires. Soms schoof even het beeld van zijn puberdochter voor zijn ogen en voelde hij zich pervers, een gluurder. Dat wist hij meestal snel weg te drukken door iets te gaan doen. Het beschaamde gevoel bleef soms de hele dag hangen. Het weerhield hem er echter niet van om te blijven kijken. Soms droomde hij voor zich uit, over een leven met een stagiaire- hoe zou dat zijn? Stomende seks in studentenappartementjes, hand in hand in de bioscoop zitten, begerige ogen, volle lippen op de zijne. Als hij dan ging afkoelen in het toilet, zuchtte hij bij de aanblik van zijn kalende hoofd en zijn treurige ogen. Soms zocht hij zijn hele gezicht af in de spiegel, alsof hij zou kunnen vaststellen wat er met hem gebeurd was, maar hij kon nooit een eenduidige aanwijzing vinden. Hij was ouder geworden en onzichtbaar, en zelfs als hij lachte zag hij er treurig uit- een clown met een verlopen grimas. De rit naar huis was het ergst, zeker in de winter. Stapvoets reed hij de ring af, in het schemerdonker, en voelde een harde steen in zijn maag liggen bij de gedachte aan wat komen ging. Zijn drie naasten aan tafel, gesloten als een vesting. Alsof ze zich in een kasteel verschanst hadden en de loopbrug hadden opgehaald.
|
|