Ik blog, dus ik besta!
header image1header image2header image3header image4

Blog


Spinnewebben
Faction
Geschreven door Esther Donkers   zondag, 12 juni 2011 14:24
Ze kwamen bij ons op bezoek op een koude winteravond. Een aardig stel, ik zag er geen kwaad in om koffie voor hen in te schenken. We praatten wat, we lieten op verzoek ons huis zien, het was niet spectaculair maar wel aangenaam. Een paar weken later waren ze er weer, ik vermoed op uitnodiging. Ze hadden een pakje bij zich: een kadootje, noemden ze het. Ik pakte het uit en het bleek een set van zes wijnglazen. Want, zo hadden ze opgemerkt, wij hadden 'geen echte wijnglazen'  en 'zaten een beetje karig in de bekers.' Ik had hen die vorige avond wijn in kleine Marokkaanse glaasjes geschonken, inderdaad uit gebrek aan wijnglazen, maar dit was geen gebrek dat ons ooit was opgebroken. Ik keek om me heen en zag wat zij zagen. Weinig meubels, chaotisch servies, een kinderhand op het keukenraam, spinnewebben in de plafondhoeken. Ik wist dat zij weinig op konden hebben met mijn liefde voor zorgvuldig geweven spinnewebben en het DNA van mijn kind op het raam. We dronken de wijn in stilte uit de nieuwe, omgespoelde glazen.
 
Non-verbaal alarm
Faction
Geschreven door Esther Donkers   zondag, 12 juni 2011 12:43
Ik viel in voor een zieke juf en ergens halverwege de ochtend besloot ik dat we koffie gingen drinken. In de gang stond een leerling uit mijn 'eigen' klas op me te wachten, rode vlekken in haar nek en een betraand gezicht. 'Het gesprek gaat niet door vanmiddag,' zei ze en keek me bedroefd aan. Ik wist meteen hoe ze zich moest voelen, deze punctuele, begaafde leerling, altijd alles op tijd af, enthousiast in de les en nooit een fout antwoord. Dit paste niet in haar schema, dit gesprek had zij degelijk voorbereid en zat al in haar systeem. Haar systeem ontregelde direct door deze afzegging, bezorgde haar een rood vel en een dichtgeknepen keel.
'Ik vind het wel vervelend,' zei ze terwijl de koffie in het plastic bekertje spetterde. 'Maar voor L., die ziek is, is het natuurlijk nog vervelender.' Alles aan haar gaf een alarm af, een traag loeiend en doordringend geluid. Zelfs haar stem was niet de hare. Ik verzekerde haar dat er een oplossing zou komen en nam het loeihete vocht mee naar de klas, alwaar ik het geheel volgens gewoonte ongeproefd af liet koelen.
Ergens in de middag hoorde ik mezelf vertellen over communicatiesystemen, over hoe iemand iets verbaal kan zeggen dat volkomen haaks staat op de taal die het lichaam spreekt, en ik dacht aan de leerling in de gang.
 
Een weerzien
Faction
Geschreven door Administrator   donderdag, 07 januari 2010 13:10
Zes maanden lang vlogen onze mailtjes heen en weer. Maandag ga ik hem eindelijk zien. Hoe
zou hij eruit zien? Hij heeft zijn uiterlijk beschreven en ik het mijne, maar je fantasie gaat
toch met de feiten op de loop; in mijn hoofd vervormt het beeld dat ik van hem heb
voortdurend, mijn geest goochelt met de kleur van zijn ogen, de contouren van zijn gezicht,
zijn haarkleur.

We weten veel van elkaar. In het begin waren we heel formeel, bang iets verkeerds te zeggen,
bang teveel ineens weg te geven. Schoorvoetend gaven we onszelf bloot. Hij heeft het
niet makkelijk gehad; hij heeft altijd een bepaald gemis gevoeld.
Als kind was hij al opstandig. Hij sloeg zijn zusje in elkaar als ze iets deed wat hem niet zinde, wilde niet eten
wat hem voorgeschoteld werd, maakte zijn speelgoed stuk, weigerde naar school te gaan. Zijn
ouders deden wanhopig hun best het hem naar de zin te maken, maar de leegte in hemzelf was
te groot. Erger was, dat hij die leegte niet kon verklaren; hij heeft gezocht en gezocht maar
kwam niet achter de oorzaak. Pas nu, zo mailde hij mij kortgeleden, begreep hij waarom hij zich
zo voelde.

'Ik voelde me een buitenstaander. Ondanks de liefde die ik
kreeg, had ik altijd het idee dat dat was omdat ik anders was;
er werd van mij gehouden om een duistere reden uit mijn vroege
verleden. Niemand sprak dat uit, ik voelde het
instinctief aan zoals alleen een kind dat kan; een kind heeft
zeer actieve 'voelsprieten'. Er was iets met mij, maar pas op
mijn zestiende kwam ik erachter.'


Die mail van hem bracht mij aan het huilen. Het deed mij onwillekeurig weer denken aan
mijn eigen kindertijd. Ik was een lief, dromerig meisje. Uren kon ik op mijn buik naar
krioelende mieren liggen kijken; ik vergat waar ik was en hoe laat het was. Mijn moeder had
weinig geduld met me. We woonden op een boerderij en er moest nu eenmaal gewerkt
worden. Elk kind dat geboren werd betekende een extra paar handen. Ik heb de boerderij en
mijn ouders vaak vervloekt, als ik weer eens om vier uur op moest om de koeien te melken;
nooit wende ik aan de stank van de stallen, ik moest er elke ochtend van kokhalzen. Mijn
moeder vond dat ik me aanstelde en gaf me extra klusjes, waarschijnlijk om me wat meer met
mijn voeten in de aarde te doen wortelen in plaats van voortdurend weg te dromen, maar het
werkte averechts.

'Met een stokje roerde ik in de mest en maakte zo mijn eigen
fantasie-landschappen, compleet met eilandjes, rivieren en
bergen, tot mijn vader me aan mijn oor kwam trekken en me
vroeg eens op te schieten met melken. In de wei achter ons huis
groeiden duizenden margrietjes en ik kreeg er geen genoeg van
ze te plukken en er kettinkjes van te rijgen, die ik tot mijn
verdriet de volgende dag weg moest gooien omdat de bloemetjes
verlept waren.

's Avonds lag ik vaak liedjes te neuriën in het bed, dat ik
deelde met mijn oudere zus die dan lag te kreunen van ergernis
en me onder de dekens net zo lang schopte tot ik ophield. Op
school kon ik mijn ei, in tegenstelling tot thuis, wel kwijt;
de juf stimuleerde me tot het schrijven van verhaaltjes en het
maken van tekeningen. Helaas brak de oorlog uit en moest ik op
mijn twaalfde van school om thuis de handen uit de mouwen te
steken.'


Het was louterend om zo met elkaar te mailen. Er kwam steeds meer boven, zowel uit zijn
verleden als uit het mijne. We werden opener naar elkaar toe.
Ik vertelde hem hoe het was om honger te hebben, echte honger, een gevoel alsof je maag tot een vacuum was
samengetrokken en je hoofd los stond van je romp. Wij redden het nog aardig omdat we onze
dieren hadden en dus melk en vlees. Maar in mijn geheugen gegrift staan de stadsmensen, die
soms een halve dag moesten fietsen op fietsen zonder banden, met niets dan lappen aan hun
lijf en kapotte schoenen aan hun voeten, om vervolgens met een paar aardappelen in hun zak
weer van ons erf afgestuurd te worden. Mijn vader keek ze medelijdend na. Ik denk dat hij ze
best wat meer had willen geven, maar hij had acht monden te voeden en moest aan zijn eigen
hachje denken. En tot slot brak ook voor ons de periode aan dat we brandnetelstamppot
moesten eten, onze kleding keer op keer moesten verstellen en van rubber fietsbanden nieuwe
schoenzolen sneden.

Hij mailde dat hij zich er weinig bij kon voorstellen. En, zo schreef hij, vertel me nu eens van
het begin, want dat wil ik allemaal weten.

'Durf je het me te vertellen? Ik smacht naar dit verhaal, al
achtenvijftig jaar. Ik ben zo blij dat je me gevonden hebt, en
dat je op jouw leeftijd nog achter een computer bent gaan
zitten om me te zoeken. Daar heb ik heel veel bewondering
voor. Ik heb mijn zoektocht gestaakt toen ik kinderen kreeg,
en mijn carrière een vliegende vaart nam. Ik was dankbaar voor
de afleiding en dacht niet meer zoveel aan je; ik was vanaf de
dag dat mijn ouders het me vertelden met je bezig geweest, en
nu kon ik me eindelijk weer eens op andere dingen concenteren.

Maar uiteraard was de gedachte aan je slechts gereduceerd tot
een klein formaat en niet verdwenen; toen ik je eerste mail
kreeg kwam alles weer terug- mijn jeugd, het gemis, de leegte
die ik voelde van binnen en die niemand, nee niemand ooit op
heeft kunnen vullen.

Vertel me van mijn oorsprong, vul me, wees niet bang dat ik
boos word of je veroordeel om hoe je gehandeld hebt- ik heb
altijd van je gehouden, ondanks dat ik je nooit gezien heb.'


Wederom was ik tot tranen toe geroerd; ik dacht dat op mijn leeftijd de tranen wel
opgedroogd zouden zijn maar niets is minder waar. Tegelijkertijd moest ik lachen, om dit
kind, deze man van achtenvijftig jaar, die zo'n vertederende gevoeligheid aan de dag legde,
die mij niets verweet, die mij bij voorbaat al in zijn armen wilde sluiten, ongeacht mijn
verhaal. Mijn kromme vingers begonnen als vanzelf te tikken.

'In die laatste winter, die zo streng was en ons
onverbiddelijk honger deed lijden vanwege de schaarste, werd
er een nieuwe groep Duitse soldaten in ons dorp gelegerd. Het
waren jongens van amper achttien jaar oud, die schuw uit hun
ogen keken. Er was er een bij die dagelijks langs kwam fietsen
om aardappels te confisqueren; met een arrogant gezicht
wachtte hij in zijn veel te grote uniform bij de deur tot mijn
vader hem met een nors gezicht de zak overhandigde. Het
zenuwtrekje bij zijn mond verraadde hoe hij zich eigenlijk
voelde, en het maakte dat ik hem niet kon haten.

Al snel keek ik uit naar zijn bezoekjes. Ik observeerde dan
zijn mooie groene ogen en zijn pukkelige jonge-jongenshuid.
Wat zei het mij dat hij een Duitser was? Ik was vijftien, hij
achttien en ik voelde een ander soort honger in mij ontstaan,
een verlangen om dat zenuwtrekje om zijn mond weg te zoenen,
om zijn schokkerige schouders vast te pakken en hem te
omhelzen.
Op een avond besloot ik hem tegemoet te lopen. Halverwege het
zandpad zag ik hem aan komen fietsen, een klein figuurtje dat
zich slingerend een weg door het zand baande en steeds groter
werd naarmate het dichterbij kwam. Hij stopte vlak voor me en
grijnsde, een ontwapenende grijns die mijn hart deed
opspringen. Uit zijn zak haalde hij een half opgegeten stuk
brood dat hij me toestak. We gingen samen in de berm zitten en
hij keek toe terwijl ik het brood opat. Daarna zoenden we; hij
veegde eerst behoedzaam de kruimels van mijn lippen.
Dat gebaar deed me de das om. Ik was verkocht.

We maakten er een gewoonte van elkaar elke dag te zien.
Stiekem natuurlijk, want mijn vader had me aan gort geslagen
als hij erachter was gekomen.
Toen ik zwanger was van Helmut, zo heet je vader, deed mijn
vader dat bijna alsnog; het is dat mijn moeder tussen ons
insprong, anders was je misschien nooit geboren.
Ik wist meteen dat ik zwanger was, en was er- dat klinkt
misschien gek-blij mee. Je bent met liefde gemaakt en in liefde
geboren- weliswaar ben je direct na je geboorte bij me
weggehaald en heb ik je nooit in mijn armen kunnen houden,
maar ik heb je horen huilen en ik heb je geroken en die
sensaties ben ik nooit vergeten.
De zusters in de kliniek waar je geboren bent waren niet
bepaald aardig voor me of behulpzaam, en mijn ouders lieten me
weten me nooit meer te willen zien. Dat was vreselijk, maar de
gedachte aan jou hield me op de been.

Helmut heeft nooit van jouw bestaan geweten; mijn ouders
stuurden me eerst naar een tante en daarna naar de kliniek,
zonder dat ik het hem ooit heb kunnen vertellen.

Dit is je oorsprong, dit is jouw begin. Ik ben blij dat ik
het, aan het einde van mijn leven, toch nog aan je heb kunnen
vertellen. Het is best ingewikkeld voor een vrouw van
vierenzeventig om nog een computercursus te gaan volgen, maar
ik wist dat ik via internet een kans maakte je te vinden en ik
ben zo ontzettend blij dat ik het heb doorgezet.

Liefs van je moeder.'


Mijn zoon en ik. Zes maanden lang vlogen de mailtjes heen en weer.
Maandag ga ik hem eindelijk, eindelijk, na achtenvijftig jaar, zien.
 
Even weg
Faction
Geschreven door Esther Donkers   zaterdag, 29 januari 2011 12:05
Nerveus trommelt hij met zijn vingers op het fietsstuur. 'Ik moet even weg.' Zijn schuine bruine ogen kijken haar verontschuldigend aan.
'Weg?' Prompt zet ze de verhuisdoos op de stoep en haar handen in haar zij. 'We zijn aan het verhuizen.'
'Ja, dat weet ik. Maar ik moet even weg. Ik ben zo terug.' Ze kijkt hem na als hij de straat uitfietst, zijn smalle rug gebogen. In de verte rinkelt een tram. Ze hoort haar moeder van de trap van de smalle bovenwoning komen.
'Waar is Ties?'
'Weg. Hij moest even weg.'
'Nu? We zijn voor jullie bezig, hoor.' Geïrriteerd schuift haar moeder een doos in de kleine Fiat. 'We moeten zo ook weer gaan rijden, die auto zit alweer vol. Rij jij of blijf je hier?'
'Ik blijf wel hier.' Ze sjokt de trappen op en gaat de kleine pijpenla binnen waar ze het afgelopen half jaar gewoond hebben. Een vlooienhok in onderhuur, met smerige tapijten op de vloer en een keuken waarvan ze de deur het liefst dichthoudt omdat ze niet weet waar te beginnen in de rommel. Haar twee trouwe vriendinnen staan spullen in te pakken. Het was haar niet gelukt alles op tijd in dozen te krijgen. Ties heeft niets gedaan. Hij leek de afgelopen dagen wel verlamd. Hij rookte de ene na de andere joint en zat alleen maar uit het raam te kijken.
Nadat alle spullen zijn ingepakt en ze beneden een sigaret rookt met haar vriendinnen, kijkt ze op de kerkklok. Half vier. Ties is al twee uur weg. Haar moeder is alweer vertrokken met de volgende lading dozen, haar mond een streep die meer zei dan welke zin dan ook. 'Wat moet je met die jongen?' zei de streep tegen haar. 'Waarom woon je met hem samen? Waar is hij? Hij moet toch goddomme meehelpen met zijn eigen verhuizing!'
Ze geeft de streep gelijk. Het inpakken heeft haar behoed voor grote emoties, maar nu voelt ze langzaam een gistende woede opkomen. De lul. De eikel. Altijd laat hij haar in de steek op cruciale momenten. Zijn charmante lach, de versprekingen als hij zich verontschuldigt zijn zijn redding. Misschien ook het leven dat hij zou hebben zonder haar. Geen huis, geen werk, beetje zwerven van vriend naar vriend, beetje drugskoerieren. Ze is te graag de goede invloed op een leven dat toch zijn eigen krommingen kent.
Een fietsbel. Zonder op te kijken weet ze dat hij aan komt fietsen. Slingerend. 'Hee meissie!' Ze kijkt op. Ze kijkt altijd weer op. 'Hee, Ties. Waar was je?' De woede ebt weg. Ze is veel te blij dat ze hem weer ziet.
'Even weg. Spullen opgehaald. En, kijk eens.' Met een zwierig gebaar haalt hij een bos rozen achter zijn rug tevoorschijn. 'Voor jou! Moet ik nog iets doen?' Ze kijkt in zijn stonede ogen. Even weg was de coffeeshop.
'Je mag helpen met de bank en de tafel,' zegt ze en pakt de rozen aan. Haar vriendinnen leunen tegen de muur en rollen met hun ogen. 'Dat is goed meisje,' zegt hij en geeft haar een kus. De kus is warm en ruikt naar wiet.
 
Chemie
Faction
Geschreven door Administrator   donderdag, 09 oktober 2008 12:43
'U hebt een depressie', zei de man die tegenover haar zat en zijn handen vouwde als een priester. 'Ik ga u iets voorschrijven.'
Na een gesprek vol koele vragen over haar geestestoestand was de man tot zijn diagnose gekomen. Iets in haar beaamde zijn woorden, en iets in haar protesteerde.
Ik ben somber, dacht ze, en bang. Voor het leven, voor de dood en alles wat daar tussen zit. Wat kan een pil doen tegen levensangst?
Met gebogen hoofd en het recept in de hand liep ze naar haar auto. Ze voelde zich op een vreemde manier opgelucht, omdat ze eindelijk had kunnen uitspreken hoe ze zich voelde. En omdat ze vrijelijk had kunnen spreken over haar hypochondrie die steeds erger werd, en haar eenzaamheid. En ook over vreemde lotgevallen die haar steeds maar weer ten deel vielen.
'U maakt uitzonderlijke dingen mee,' had de psychiater toegegeven. Zijn koude ogen hadden haar voortdurend taxerend aangekeken. Ondanks dat ze zich daar ongemakkelijk onder had gevoeld, bleef ze praten. Ze stroomde over. Al het ongezegde werd gezegd. Als een rivier verliet de angst haar, voor even, in een bedding vol snot en tranen.
En nu een pilletje per dag, dacht ze terwijl ze de auto startte. Om de leegheid, de droefheid, de eenzaamheid op te heffen. Het voortdurende schuldgevoel uit te wissen. De hyperventilatie te doen vervlieden. De voortdurende gedachtenstroom over doodgaan te stoppen. Om de paniek te onderdrukken bij elke lichamelijke klacht die opspeelt.
Ze schudde haar hoofd, kon er niet in geloven. Ze was zo gewend aan haar ongelukkigheid dat ze die als een familielied had geaccepteerd, als een lastige tante die te lang op de bank bleef zitten en elke avond mee wilde eten. Het zou moeilijk worden die tante los te laten. Het was de enige familie die ze had.
Ze reed naar huis in de schemering. Ze dacht aan de vaatwasser die ze nog leeg moest halen. Aan het eten dat geduldig in de koelkast wachtte tot zij het zou koken.
Ze dacht aan de echo die haar voetstappen zouden maken als ze door de hal liep en rilde. Met haar vrije hand voelde ze in haar zak. Het recept. Nog even wachten.
Nog een avond met haar tante op de bank zitten. En misschien nog wel eentje.
Ze zou heel, heel langzaam moeten wennen aan het idee van chemische gelukkigheid.
 
«StartVorige1234VolgendeEinde»